Weven: de opbouw

Net als bij vouwen merk ik dat er bij weven en vlechten om een leeftijd gevraagd wordt. Vanaf welke leeftijd kun je wat aanbieden? In werkelijk ligt het niet zo simpel, het gaat vooral om de opbouw. Een kleuter van 6 die nog nooit heeft gewoven zal veel meer moeite hebben met vlechten, dan wanneer een kind daar al veel ervaring mee heeft opgedaan. Net zoals een kleuter van 6 meer moeite zal hebben met 16 vierkantjes als die niet eerst uitvoerig boeken en rechte kruizen heeft gevouwen!

Om toch een opbouw te geven: begin met de basis handeling, het op en neer gaan van een draad of reep. Het gaat dan nog niet om het eindresultaat, er hoeft niet per se iets gemaakt te worden, het gaat alleen om het handelen. Vergelijk dit met het knippen van restpapier: alleen de handeling is belangrijk, niet het ‘werkje’.

Als kinderen die op- en neergaande beweging goed onder de knie hebben, kun je toewerken naar een weefmat (of vlechtmat) met het basispatroon. Daarbij heeft de volgende reep steeds het omgekeerde patroon als de vorige, waardoor een blokjes patroon ontstaat.

Zoals je in de andere lessen kunt zien, zijn er veel verschillende manieren om met deze basis handeling toch een leuk werkje te kunnen maken. Het hoeft dus niet alleen een mat te zijn zoals hierboven op de foto, dit weven kan op veel verschillende manieren steeds opnieuw geoefend worden, het wordt dan nooit saai!

Hebben kinderen ook deze handeling, in combinatie met het toewerken naar een eindresultaat, ook goed onder de knie, zijn ze klaar voor de volgende stap. Ze zijn nu ook bekend met het netjes werken, het afwerken van losse repen, het doorwerken tot iets klaar is. Allemaal belangrijk, het gaat dus niet alleen om de techniek!

Kinderen kunnen nu oefenen met verschillende patronen. Daarbij zijn de eenvoudigste patronen die waarbij de volgende steeds het tegenovergestelde is van de vorige. De ene reep gaat 1 op, 1 neer, etc, de volgende reep gaat 1 neer, 1 op, etc. Of 2 op, 2 neer, etc, en dan 2 neer, 2 op, etc. Er hoeft ook niet echt naar een voorbeeld gekeken te worden, het matje alleen is voldoende om te snappen welke stap de kinderen nu moeten zetten.

Moeilijker wordt een patroon als er niet naar de vorige rij gekeken kan worden om te zien wat er nu moet gebeuren. Dan moet een kind al een voorstelling kunnen maken van hoe het patroon gaat worden, je zult snappen dat hiervoor best wat breinkracht nodig is! Het namaken van een patroon is één optie, natuurlijk is het ook leuk om kinderen zelf patronen te laten bedenken. Zo kunnen ze dat ook doen met bijvoorbeeld de kralenplank of de mozaïek.

Natuurlijk is er ook nog de opbouw in spanningsboog en dus in hoeveelheid werk. Een groter werkje, waar de kinderen langer bezig zullen zijn, is moeilijker dan een klein werkje met snel succes. Zorg er altijd voor dat je ook hierbij rekening houdt met die opbouw, Fröbel benadrukt steeds dat de kinderen niet geplaagd moeten worden met wat ze nog niet aan kunnen.

Als ik dan toch iets moet zeggen over de leeftijd: kinderen die net op school zijn (een jaar of 3-4) kunnen al oefenen met de op- en neergaande beweging. Kinderen van 4-5 kunnen werken met een weefmat (basispatroon), zodat kinderen van 5-6 ook kunnen beginnen met vlechten. Daarover later meer! Maar… let dus op de opbouw en ga er niet te gemakkelijk van uit dat een kind ergens al aan toe is… want hoeveel kinderen hebben thuis nog een schaar of knutselpapier?