Van makkelijk naar moeilijk
Ik heb net de opbouw van de verschillende vouwen besproken. Maar wanneer bied je nou wat aan? Wat zouden kinderen in groep 1 moeten kunnen en wat kun je van kinderen in groep 2 verwachten?
Beginsituatie
Je begint altijd bij de beginsituatie, dus waar de kinderen NU zijn in hun ontwikkeling. Kinderen die nog nooit gevouwen hebben, kunnen ook in groep 2 niet ineens 16 vierkantjes vouwen. Misschien heb je wel eens ingevallen in een hogere groep en je toen verbaasd over het niveau van het vouwen? Het lijkt ineens helemaal weggezakt, terwijl je met deze kinderen gevouwen hebt toen ze nog kleuter waren!
Tip: kom je in een nieuwe groep en weet je niet wat de beginsituatie is? Vraag de klas dan of ze al eens gevouwen hebben en laat een kind zien wat het al kan vouwen. Zo zie je meteen waar je bij je instructies op moet letten.
Van makkelijk…
Over het algemeen kun je stellen dat de makkelijke vouwwerkjes weinig stappen hebben. Het vouwen van een boekje vraagt van de kinderen maar één vouw. Voor beginners is dit genoeg, ze moeten immers ook letten op hoe ze zitten, hoe ze het blad hanteren en hoe ze een scherpe vouw maken. Dan is een ingewikkeld vouwwerkje nog te moeilijk.
Fröbel was hier ook heel stellig in: vermoei kinderen niet met moeilijke dingen, laat ze eerst goed oefenen met de ene stap voor je de volgende stap aanbiedt.
Je kunt een eenvoudig vouwwerkje dus al moeilijker maken door extra stappen toe te voegen. Vraag de kinderen een boekje te vouwen door drie keer de rechte vouw te maken en dit tot een boekje te nieten, plakken of rijgen.
Nu zou het misschien saai lijken als je steeds diezelfde vouw aanbiedt, omdat de kinderen nog niet toe zijn aan de volgende stap in moeilijkheid? Daarom is het leuk om steeds iets anders te maken met diezelfde vouw. Voorbeelden hiervan vind je later in de cursus!
… Naar moeilijk!
Een moeilijker vouwwerkje bestaat uit meerdere stappen. Als kinderen de basis van het vouwen geautomatiseerd hebben, zijn ze toe aan iets moeilijkers. Voor het vouwen van 16 vierkantjes zijn meerdere stappen nodig die de kinderen moeten onthouden. Ook het verder afmaken van een vouwwerkje (wat ga je maken met die 16 vierkantjes?) vraagt inzicht en extra vaardigheden.
Differentieer vooral ook in je groep door meerdere vouwvoorbeelden achter de hand te hebben! Zie je dat kinderen het al goed onder de knie hebben, kun je hen uitdagen met een moeilijker werkje. Andersom geldt natuurlijk ook: zie je dat sommige kinderen nog niet voldoende geoefend zijn in het vouwen, zorg er dan voor dat zij sneller resultaat hebben met een eenvoudiger werkje.
Minder stappen = sneller resultaat = tevredenheid en voldoening
Meer stappen = uitdaging = tevredenheid en voldoening
Kinderen die de basis van het vouwen goed onder de knie hebben, hoef je ook niet meer alle stappen in de vouwreeks aan te bieden. Als de eerste stap is ‘vouw 16 vierkantjes’, dan weten zij hoe ze daar moeten komen. Hierdoor stimuleer je kinderen hun geheugen aan te spreken, in plaats van ‘te spieken’ bij de vouwreeks.
