Doelen
Welke doelen vallen onder het maken van een vouwwerkje? Ik zet ze hieronder op een rijtje.
Ik maak hierbij gebruik van de SLO doelen, te vinden op Jongekind.slo.nl. Voor de duidelijkheid: dit zijn aanbodsdoelen!
Rekenen
De meeste doelen zul je tegenkomen in het vakgebied rekenen:
Getalbegrip
- omgaan met rangtelwoorden zoals eerste, tweede… tiende, zover als je kunt; en verkennen wanneer je die gebruikt (dit doen kinderen als ze de stappen van een vouwreeks volgen)
- tellen van hoeveelheden (resultatief tellen) tot ten minste 20 en de regels van het tellen leren (als kinderen hun vierkanten of driehoeken tellen, zie je snel genoeg of ze resultatief kunnen tellen)
- handig organiseren van hoeveelheden tot ten minste 20 door structureren, groeperen, op een rijtje leggen (bijv. vijfstructuur, dubbelstructuur) (tijdens het vouwen zijn de kinderen steeds bezig met halveren en verdubbelen)
- verkort tellen tot ten minste 20 (bijv. schoenen in paren tellen) (vraag de kinderen eens of ze de 16 vierkantjes nog op een andere manier kunnen tellen!)
- splitsen en samenvoegen van kleine hoeveelheden tot ten minste 20 (als je de kast vouwt, maak je van vier vierkanten acht rechthoeken. Maar als je de rechthoeken weer samenvoegt, blijven het vier vierkanten!)
Bewerkingen
- handelend omgaan met begrippen rond delen zoals eerlijk, oneerlijk, delen, verdelen, over, evenveel (tijdens het vouwen verdelen de kinderen een vlek steeds in meerdere vlakken. Benoem ook dat er bij bijvoorbeeld het rechte kruis op beide helften evenveel vierkanten zijn)
Verhoudingen
- verhoudingsgewijs vergelijken en ordenen (bijv. als je groter wordt, moeten je kleren ook groter zijn) (dit bereik je door verschillende maten vouwbladen aan te bieden. Met een groot vouwblad wordt je vouwwerkje ook groter!)
Meten: lengte en omtrek
- ontdekken en ervaren van het meten van lengte en omtrek (Laat de kinderen met hun vinger langs de omtrek van het vouwblad gaan)
- omgaan met ‘lengte’ en ‘omtrek’ en begrippen rond lengte en omtrek zoals groot/groter/ grootst(e), klein/kleiner/kleinst(e), even groot, even klein, lang/langer/ langst(e), kort/korter/kortst(e), even lang, hoog/hoger/hoogst(e), laag/lager/laagst(e), even hoog, dun/dunner/dunste, dik/dikker/ dikst(e), even dik, (er) omheen (dit ervaren kinderen weer met vouwbladen in verschillende maten)
- omgaan met tegenstellingen tussen begrippen rond lengte en omtrek (ook: vouw een grote envelop en een kleine envelop)
Meten: tijd
- plaatsen van gebeurtenissen in tijdsvolgorde (eerst de ene stap, dan de andere. Hang een vouwreeks eens door elkaar, kunnen de kinderen hem weer goed hangen?)
Meetkunde: oriënteren in de ruimte
- omgaan met meetkundige begrippen zoals voor, achter, naast, op, onder, in, boven, tussen, dichtbij, veraf, tegenover, links, rechts, voor, na, rechtdoor, verder (deze begrippen gebruik je vaak tijdens het vouwen!)
Meetkunde: construeren
- omgaan met begrippen rond construeren zoals recht, schuin, dubbel, lijn, hoek, punt (deze begrippen gebruik je vaak tijdens het vouwen!)
- construeren met papier (bijv. vouwen, navouwen, bouwen, knippen) en op papier (bijv. patronen ontwerpen) (vouwen IS hier het doel)
Meetkunde: opereren met vormen en figuren
- onderscheiden en onderzoeken van meetkundige vormen zoals cirkel, rechthoek, vierkant, driehoek, ruit, bol, kubus (benoem de vormen cirkel (rond vouwblad), vierkant, driehoek, rechthoek (vierkant vouwblad) en ruit (vlieger) tijdens het vouwen)
- redeneren over ‘opereren met vormen en figuren’ in passende probleem- en conflictsituaties (bijv. Hoe kun je met driehoekjes een vierkant of een rechthoek maken?) (laat kinderen de verschillende delen losknippen en weer aan elkaar puzzelen)
Oriëntatie op jezelf en de wereld
- waarnemen en verkennen van de omgeving met al je zintuigen (Fröbel zag dat de natuur bestond uit vormen die weer terugkwamen in zijn speelgaven. Waar in je omgeving zie je een vierkant, net als je vouwblad?)
- verkennen van de globale werking van lichaamsdelen (door te vouwen ervaren kinderen hoe hun armen en handen werken)
- verkennen en ontdekken van eigenschappen van materialen en stoffen (voelen hoe scherp je vouw is, ervaren dat papier ook kan scheuren, bijvoorbeeld als het nat wordt van de lijm)
- experimenteren met eenvoudige verbindingen (bijv. lijm, knopen, spijkers, schroeven, bouten en moeren) (een 3d-vouwsel maken)
- werken met een (eenvoudige) werktekening of handleiding (een vouwreeks aflezen)
Digitale geletterdheid
- realiseren wat een eenvoudig patroon is (steeds dezelfde vouw levert steeds dezelfde figuren op)
- herkennen van de herhaling van taken in verschillende situaties (bij het vouwen van het rechte kruis herhaal je twee keer dezelfde vouw)
- uitvoeren van een taak door stap voor stap een reeks handelingen uit te voeren (het vouwen van een vouwreeks om tot een bepaald eindresultaat te komen)
- geven van een reeks instructies aan een ander (mondeling of via symbolen) voor het uitvoeren van een bepaalde taak (als kinderen elkaar uitleggen hoe ze moeten vouwen)
Wat ik hierboven nog niet genoemd heb, zijn de doelen voor de ontwikkeling van de (fijne) motoriek, de oog-hand-coördinatie en bijvoorbeeld de executieve functies (het werkgeheugen, bijvoorbeeld!).
